Prullaria waar ik ook in het boek over schrijf

Deel 1: Waarom het boek Je wordt bedankt Bin Laden?

Ik loop inmiddels ruim 16 jaar rond in Afghanistan. Ik heb er ook veel over geschreven. Zo ben ik ongetwijfeld Nederlands recordhouder opiniestukken over Afghanistan, een twijfelachtige titel. Maar ik schreef nog nooit een boek over mijn ervaringen. Tot nu: eerder dit jaar tekende ik een boekcontract met de kleine, maar zeer fijne uitgeverij Jalapeño Books. Mijn boek Je wordt bedankt Bin Laden: 20 jaar Nederland in Afghanistan (2001-2021) zal op 11 september 2021 uitkomen. Je kunt nu al een exemplaar reserveren.

Waarom schreef ik niet eerder een boek over Afghanistan? Natuurlijk heb ik er wel eens over nagedacht, misschien zelfs wel van gedroomd: ik ben tenslotte ook een ijdele academicus. Ik ben niet bang voor lange onderzoeks- en schrijfklussen. Mijn promotieonderzoek duurde vijf jaar en zeven maanden. Mijn proefschrift telt 461 pagina’s…

En ik was als kind lid van de Lemniscaat Club: ook ik wilde, net als vrijwel iedereen in Nederland, schrijver worden. Het Schrijversboek uit 1987 staat nog steeds in mijn kast.

Ik wilde schrijver worden, maar natuurlijk niet van non-fictie: van ‘echte’ literatuur. Mijn eerste poging om een boek over Afghanistan te schrijven, betrof dan ook… een roman. Dat wil zeggen: ik heb een paar jaar geleden iets van dertig bladzijden geschreven van een verhaal over drie jongens in Kaboel. Het probleem daarbij was dat ik me niet honderd procent kon inleven in hun wereld. Ik was niet in Afghanistan opgegroeid en ken het leven vooral via de verhalen van Afghaanse vrienden en collega’s die ik door de jaren heen ontmoet heb. Daarbij ontbreken vaak details en blijft het meestal oppervlakkig over de situatie thuis. Een videoserie die ik in 2011 maakte over jongeren in Kaboel was wel een bron van inspiratie, maar niet genoeg om een roman te kunnen schrijven. De Noorse schrijfster Åsne Seierstad besloot om vijf maanden bij een Afghaanse familie in huis te gaan wonen. Dat leidde tot de bestseller De Boekhandelaar van Kaboel. Geen verkeerde strategie, lijkt me, maar ik heb daar zelf eigenlijk nooit serieus aan gedacht.

Misschien dacht ik, vrij naïef, dat het niet nodig zou zijn. Met het risico dat niemand mijn non-fictieboek meer wil kopen, volgt hier een fragment uit de ‘roman’ met de werktitel Het Toekomstproject:

‘Je moet het naar die man van Wikileaks sturen’, zei Wais. Zoals altijd had hij een oplossing, al was het vrijwel nooit de meest uitvoerbare. We zaten met zijn drieën bij Chief Burger aan Sulh Road: Wais, ‘de Amerikaan’, Almas ‘de Bankier’ en ik. Op onze dienbladen lagen papieren zakjes patat en kipburgers. De zwarte stier met felrode ogen uit het logo van Chief Burger keek ons vanaf de muur dreigend aan. Mijn uitgeprinte onderzoeksrapport had ik naar de hoek van de tafel geschoven zodat er genoeg ruimte was voor al het eten.

Het bleef even stil en ik nam nog een hap van mijn tweede kipburger. Op de achtergrond klonk muziek uit een Bollywood-film, vermengd met het getoeter van de vele auto’s buiten. Omdat niemand antwoordde, ging Wais door: ‘Die man kan ervoor zorgen dat jouw rapport bij de internationale pers terecht komt.’ Hij tikte bij de laatste vier woorden met zijn wijsvinger op de vettige tafel.

‘Die man zit opgesloten in een ambassade in Londen,’ antwoordde Almas toen hij zijn mond leeg had.

‘Dat bedoel ik’, zei Wais. ‘Hij heeft er nu alle tijd voor.’

Oké, fijn dat we dat gedeelte van deze blog achter de rug hebben… Kunnen we het weer hebben over het boek dat wel gaat verschijnen.

Geen roman, maar waarom dan toch een non-fictieboek over twintig jaar Nederland in Afghanistan? Ik heb lang getwijfeld, maar raakte geïnspireerd door twee artikelen die ik in 2019 schreef. Voor de Clingendael Spectator, voorheen de Internationale Spectator, schreef ik in juni 2019 een artikel met de titel ‘Afghanistan: Still caught up in an overreaction to terrorism.’ Je kunt de huidige betrokkenheid bij Afghanistan van allerlei stempels voorzien, maar dát is wat er eigenlijk nog steeds gaande is: Nederland is, samen met bondgenoten, na 9/11 in de groef geraakt van een eindeloos traject, waarvan de terroristische aanslagen van 2001 de directe aanleiding vormden.

Daarnaast mocht ik aan het eind van dat jaar het achtergronddocument ‘100 years of friendship and solidarity between Afghanistan and the Netherlands’ schrijven voor de Afghan Dutch Conference die door de Stichting KEIHAN en het ministerie van Buitenlandse Zaken werd georganiseerd. Dat artikel laat zien dat het jaar 2001 een kunstmatige scheidslijn is, maar dat 9/11 wel een enorme impuls heeft gegeven aan de bilaterale betrekkingen.

De belangrijkste reden om het boek toch te schrijven was, echter, het besef dat de afgelopen twintig jaar inmiddels onderdeel zijn geworden van onze politieke geschiedenis. Je beseft het niet als je jaarlijks van Kamerbrief tot Kamerdebat gaat waarin de ontwikkelingen in Afghanistan besproken worden. Het zijn steeds momentopnames. Maar uiteindelijk is na twee decennia ook het debat in politiek Den Haag onderdeel aan het worden van een uiterst interessante politieke geschiedenis. Het is een wonderlijke wereld met een eigen jargon, politieke stokpaardjes en clichés, maar ook van zeer fundamentele discussies over de ambities en rol van Nederland op het wereldtoneel. Over die ‘Haagse werkelijkheid’ schrijf ik in deel II van mijn boek, na eerst in deel I de ‘Afghaanse werkelijkheid’ te behandelen.

In deel 2 van het blog ga ik in op de titel van het boek: Waarom de titel Je wordt bedankt Bin Laden.

Voor het boek, zie hier.

Deel 2: Waarom de titel Je wordt bedankt Bin Laden?

Nu het boek min of meer geïntroduceerd is, even iets over de titel Je wordt bedankt Bin Laden. Ik hoop dat de ironie ervan duidelijk is. Anders heb ik een probleem. Als je de titel (goed) uitspreekt, is de ironie wat makkelijker te horen. Maar ik hoop dat de Nederlandse uitdrukking op papier ook tot haar recht komt. Zij is ook vrij typisch Nederlands; het Engelse Thanks for nothing Bin Laden is toch minder. En, nee, ik loop daarmee niet vooruit op een Engelse vertaling van mijn boek. Ruim de helft van mijn boek gaat over het Nederlandse debat en de Nederlandse ervaringen. Ik denk niet dat een buitenlands publiek daarop zit te wachten, hoe vaak onze Dutch approach ook geprezen is de afgelopen jaren.

Het is hoe dan ook een titel die bij een grotere uitgever ongetwijfeld de eindstreep niet had gehaald. ‘Leuk gevonden hoor, meneer Kamminga, maar wij maken er Van Kaboel tot Mazar-e-Sharif van.’ Einde discussie. Bij Jalapeño Books wordt de titel gewoon geaccepteerd die jij op je kaft wil hebben. Dat is fijn.

Maar waarom nou deze titel? Het makkelijke antwoord is: ‘hij was nog beschikbaar.’ Dat klinkt flauw, maar is op zich geen slecht argument. Ik laat in een bijlage van mijn boek zien dat er al ruim dertig Nederlandstalige boeken verschenen zijn over onze missiebijdrages in Afghanistan. Ik vind dat daar weinig mooie titels tussen staan. Het boek Als een nacht met duizend sterren: oorlogsjournalistiek in Uruzgan van Joeri Boom is een positieve uitzondering. In het voorwoord van mijn boek licht ik de keuze voor mijn titel toe. Er is een persoonlijke en algemene uitleg.

Op persoonlijk vlak heb ik mijn carrière voor een groot deel te danken aan Osama bin Laden en de terroristische aanslagen van 9/11. Daar heb ik lange tijd niet bij stil gestaan. Een vriend van me, Theo Myronidis, wees me erop toen we in New York in september 2012 de 9/11 Memorial bezochten. Ik schrok er wel een beetje van, kocht uit schaamte een wit-blauw 9/11 armbandje (hierboven te zien op de foto tussen mijn Afghanistan-prullaria). Ik reisde zelf voor het eerst naar Afghanistan in 2005, maar dat was zonder Osama bin Laden waarschijnlijk anders gelopen. Sindsdien is Afghanistan al zestien jaar de rode draad in mijn werk. Alsnog mijn dank, Osama.

Maar wat voor mij geldt, geldt voor duizenden mensen. Denk aan terrorismedeskundigen, Afghanistan- en Irak-experts, veiligheidsspecialisten, soldaten, politieagenten, medewerkers van particuliere militaire organisaties, oorlogsjournalisten, diplomaten en ontwikkelingswerkers. Los van persoonlijke carrières zijn er nieuwe beroepsgroepen ontstaan of enorm uitgebouwd rondom terrorismebestrijding en internationale veiligheid. De post-9/11 oorlogen in Afghanistan en Irak zorgden voor een exponentiële groei van de private militaire industrie. En ook Islamitische Staat was er waarschijnlijk niet zonder Osama bin Laden geweest – de groep kwam voort uit Al Qaeda in Irak als reactie op de Amerikaanse invasie in 2003.

Het enige verschil tussen mij en al die andere ‘profiteurs’ van 9/11 is dat ik besloten heb om Osama bin Laden in de titel van een boek te bedanken… Ik had dat natuurlijk ook op een andere manier kunnen doen. Met een knipoog naar het boek van Peter Bergen The Osama bin Laden I know, had ik kunnen kiezen voor De Osama bin Laden die mij een baan bezorgde. Het is stiekem wel een mooi beeld: Al Qaeda als een soort Randstad uitzendbureau voor mensen die de beweging moeten duiden of bestrijden. Of de puinhopen moeten opruimen die zowel 9/11 als de (over)reactie erop hebben veroorzaakt.

Mijn titel zal ongetwijfeld tot kritiek leiden in recensies – een luxeprobleem – maar ik heb ook al gemerkt dat hij in ieder geval interessant gevonden wordt. Als dat tot het lezen van mijn boek aanzet, dan ben ik natuurlijk zeer tevreden. Van de familie Bin Laden voorlopig nog geen reactie…

In deel 3 van het blog ga ik in op de kaft van het boek. Omdat er nog geen definitieve kaft is, zijn alle tips en ideeën welkom!

Voor het bestellen van het boek, zie hier.

Deel 3: Hoe moet de omslag eruitzien van een boek met de titel Je wordt bedankt Bin Laden?

In deel 3 van dit blog vraag ik graag om uw hulp. Mijn boek is inmiddels in de voorverkoop en heeft ook al een kaft of boekomslag. Dat wil zeggen: er is natuurlijk nog geen fysieke kaft, maar een ontwerp voor een mogelijke cover. De vraag is alleen: is het tijdelijke ontwerp goed genoeg of heeft u betere ideeën?

Na het ondertekenen van het contract bij Jalapeño Books, ben ik meteen met de uitgever in gesprek gegaan over een mogelijk ontwerp. Mijn boek heeft kortgezegd drie basiselementen: 1. Nederland; 2. Afghanistan en 3. Osama bin Laden als symbool voor de het begin van de oorlog in Afghanistan en de bredere War on Terror. Hoe kun je die drie elementen samenbrengen op een mooie boekomslag? Is dat überhaupt nodig?

Ik had meteen een aantal ideeën die ik hier niet allemaal zal noemen om de creatieve lezer niet te veel in een bepaalde richting te sturen. Om een lang verhaal kort te maken: uiteindelijk heeft het denkproces voorlopig drie mogelijke ontwerpen opgeleverd. Twee daarvan zijn uitgewerkt (zie foto hieronder): een algemene cover zonder foto; en het ontwerp van Kim Taminiau met een foto van het Binnenhof en van mijzelf in Zuid-Afghanistan (genomen door Jonathan Mattebo Persson). Die laatste staat voorlopig online bij de boekhandels die het boek inmiddels hebben opgenomen in hun bestand.

De (voorlopige) ontwerpideeën

Het derde ontwerpidee is nooit gemaakt en is misschien ook niet of nauwelijks te maken. Het was een gek idee dat ik opeens had: Osama bin Laden photoshoppen zodat hij in de blauwe stoeltjes van de Tweede Kamer zit? Over the top? Roept u maar.

Feedback is zeer welkom. Een goed alternatief idee ook. Ik kan er voorlopig niet veel tegenoverstellen, maar kan een bruikbaar idee natuurlijk wel met een boek belonen! Bij voorbaat mijn hartelijke dank!

In deel 4 van het blog ga ik in op de wisselwerking tussen Afghaanse en Haagse werkelijkheid.

Voor het bestellen van het boek, zie hier.

Deel 4: Over de dag waarop de Afghanistanmoeheid even doorbroken werd

Gisteren was er eindelijk weer eens zo’n dag! Een dag waarop de Afghanistanmoeheid even doorbroken wordt. De afgelopen jaren waren er vele dagen waarop ik de hele dag met Afghanistan bezig was. Gesprekken hier, interviewtje daar, maar om me heen vooral continu interesse in wat er in Afghanistan gebeurt. De afgelopen jaren is de moeheid er steeds meer ingeslopen. Veertien jaar was al lang, nu zitten we er al bijna twintig jaar. In die zin is het ook wel te begrijpen. Ik zou het in dit deel eigenlijk hebben over de wisselwerking tussen de Afghaanse en Haagse werkelijkheid, maar stel dat even uit vanwege deze bijzondere dag.

De dag begint zoals alle andere: ik sta half zes op om aan mijn boek te werken. In de volgende delen zal ik meer zeggen over mijn schrijfroutine. Het komt erop neer dat ik zo vroeg moet opstaan omdat ik anders gewoon niet aan schrijven toekom: zodra mijn tweejarige zoon opstaat, is het afgelopen met het schrijven aan het boek. Om negen uur word ik gebeld door de speciale vertegenwoordiger van de NAVO voor de vrouwen, vrede en veiligheidsagenda (VN-Veiligheidsraadsresolutie 1325). Dat gesprek gaat eigenlijk niet over Afghanistan, maar over mijn nieuwe werkterrein – de ethische kant van kunstmatige intelligentie in de defensiesector. Maar Afghanistan is nooit ver weg in zo’n gesprek: het is nog steeds de belangrijkste missie van de trans-Atlantische alliantie.

Dan komt er een e-mailtje van RTL Nieuws. Ze vragen om een bijdrage voor een artikel. De aanleiding is dat de Amerikaanse president de dag ervoor bekend had gemaakt dat alle Amerikaanse troepen op 11 september dit jaar teruggetrokken zullen zijn. Meteen even werk van gemaakt. Het resultaat is later die dag te lezen op hun website. Het was voor veel media weer een reden om over Afghanistan te schrijven.

Daarna heb ik een goed gesprek met een Clingendael-collega over mijn fellowship en hoe we de komende tijd weer wat hechter kunnen samenwerken in het kader van Afghanistan, onder andere ook rondom mijn boek. Na het gesprek krijgt dezelfde collega een mediaverzoek binnen van de Poolse televisie. Daar word ik vervolgens voor gebeld en in het begin van de middag doe ik een Skype-interview. Het zijn aparte interviews, want ik kan bij dit soort landen niet echt inschatten wat voor soort programma het is, wat voor kijkers er zullen zijn en of er überhaupt interesse is in de Afghaanse werkelijkheid. Misschien heeft half Polen het wel gezien, misschien niemand, ik heb werkelijk geen idee.

Wat later op de dag blijf ik min of meer in dezelfde regio als een interview doe met de Slowaakse krant Pravda. Daar werkt een journalist waar ik al jarenlang contact mee heb. Er is een groepje van nu nog maximaal tien journalisten waar ik door de jaren heen contact mee heb gehouden. Dat deze groep steeds kleiner wordt, is ook onderdeel van de Afghanistanmoeheid. Toch is het een fijn groepje. Het zijn journalisten met een authentieke interesse in Afghanistan, waardoor de interviews ook meer diepgang krijgen. Niet even een vluchtig gesprek, zoals bij de meeste media.

Tussendoor spreek ik met een Afghaanse Oxfam-collega waar ik de afgelopen zes jaar heel intensief mee heb samengewerkt. Even poolshoogte nemen omtrent de situatie in Afghanistan, het vredesproces en de aankomende vredesconferentie in Istanboel later deze maand. Het is een fijn gesprek, vooral omdat het nu niet meer gaat over werk en deadlines (sinds januari werk ik niet meer voor Oxfam), maar vooral ook hoe het persoonlijk gaat.

Weer iets later belt een redacteur van de NOS. Het gaat wederom over het besluit van Biden. Inmiddels heb ik daar zo´n beetje de hele dag over gesproken, dus is het makkelijk om mijn standpunt toe te lichten. In het kort: het terugtrekken van de laatste militairen is niet verrassend want het zat er al een hele tijd aan te komen. Het is ook niet per se slecht en kan zelfs een positief effect hebben op het vredesproces. Het is namelijk ook een politieke eis van de Talibaan. Zolang zij vinden dat wij onderdeel van het probleem zijn, zijn we dat in wezen ook. Belangrijker is dat we op andere, niet-militaire terreinen Afghanistan wel blijven ondersteunen de komende jaren.

Een Afghaanse papaverboer met zijn familie (foto: ICOS/Ash Sweeting)

Aan het eind van de dag, om vijf uur, mag ik een uur lang een presentatie houden voor een Frans bedrijf dat klanten helpt met onlineadvertenties. Er werkt een oud-collega. Het is een soort interne Ted Talk als onderdeel van hun teambuilding, allemaal online vanwege Covid. Mijn verhaal gaat over het Poppy for Medicine-project waar ik jarenlang voor gelobbyd heb. Het is gek genoeg misschien wel het meest succesvolle lobbyproject zonder resultaat. Ik schrijf er in het boek ook een paar paragrafen over. Ik werkte vanaf 2005 in Afghanistan vooral aan dit project dat een pilot wilde opzetten om te kijken of een deel van de Afghaanse papaverteelt ook gebruikt zou kunnen worden voor de gecontroleerde en legale productie van essentiële medicijnen zoals morfine en codeïne. Misschien zal ik er later in het blog nog een keer iets over zeggen. Het komt erop neer dat er uiteindelijk nooit een pilot is gekomen, ondanks steun uit verschillende hoeken. Na de presentatie zijn er redelijk wat vragen, waaronder een paar zeer interessante. Voor de meeste werknemers van het bedrijf lijkt het echter een ver-van-mijn-bed-show. Geen Afghanistanmoeheid maar eigenlijk de overtreffende trap: totaal geen weet hebben van Afghanistan. Je kunt het ze natuurlijk niet kwalijk nemen.

Om zes uur zit de dag erop. Ruim twaalf uur lang heb ik me met Afghanistan beziggehouden. Het maakt niet uit dat de aanleiding (Biden) niet direct met Afghanistan zelf te maken heeft. Hij maakt uiteindelijk, vooral voor de binnenlandse bühne, gewoon het karwei af waar Trump al mee begonnen was. Het belangrijkste is dat de Afghanistanmoeheid weer even doorbroken was. Wel ben ik zelf bekaf aan het eind van de dag.

In deel 5 zal ik het wel hebben over de wisselwerking tussen de Afghaanse en Haagse werkelijkheid. In deel 6, zoals gezegd, meer over mijn schrijfroutine.

Deel 5: De spanning tussen de Afghaanse en Haagse werkelijkheid

De rust is weer even teruggekeerd. In Nederland, niet in Afghanistan. Met het besluit om de laatste militairen uit Afghanistan terug te trekken is er in ieder geval wat duidelijkheid gekomen. We kunnen en moeten niet eeuwig blijven. Nu is er een eindstreep. Het Kamerdebat over de tachtig extra militairen die Nederland nog tijdelijk naar Afghanistan stuurt, zal hoogstens een storm in een glas water zijn. In het grotere plaatje, zijn we al ‘weg.’

In de Afghaanse werkelijkheid gaat het conflict gewoon door. De politieke verdeeldheid blijft en het vredesproces bevindt zich nog steeds in een impasse. In de Haagse werkelijkheid zal een boel gepraat worden over wat de terugtrekking betekent voor de veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling op de lange termijn. Laten we de Afghanen niet aan hun lot over? Stiekem zullen de meeste politici het ook wel fijn vinden dat er een einde komt aan twintig jaar militaire bijdrages en ingewikkelde discussies over het nut ervan. Makkelijke Kamerdebatten over Afghanistan zijn er eigenlijk niet geweest.

Het begrip ‘Haagse werkelijkheid’ gebruik ik in mijn boek vooral als synoniem voor politiek Den Haag en vooral voor het besluitvormingsproces rond missies. De wisselwerking tussen regering en de Tweede Kamer is daarbij het belangrijkst. Het begrip ‘Afghaanse werkelijkheid’ gebruik ik als een containerbegrip voor alles wat niet in Den Haag maar in Afghanistan zelf gebeurt, inclusief de Nederlandse bijdragen aan stabiliteit, veiligheid en ontwikkeling.

Beeld van de auteur (22 april 2021)

Er is natuurlijk niet één Afghaanse werkelijkheid. Voor elke Afghaan is er één, zou je kunnen zeggen. En voor elke buitenlander die in Afghanistan werkt, is er weer een andere. Je kunt dit al zien als je op het vliegveld in Dubai of Istanboel op je vlucht naar Kaboel wacht: de diplomaat, ontwikkelingswerker en de militaire contractor zijn meteen te herkennen. Het is de kleiding, het type rugzak, maar ook de houding. Iedereen klimt na aankomst in een grote terreinwagen – de één gepantserd, de ander niet – maar rijdt daarna naar zijn eigen wereldje.

Beide werkelijkheden bestaan en zullen ook nooit volledig samenkomen. Dat hoeft ook niet. Afghanistan is en blijft maar een zeer klein deel van alle belangen en onderwerpen die in politiek Den Haag spelen. Voor Nederlandse burgers blijft Afghanistan vooral een ver-van-mijn-bed-show. Maar het besef dat er een andere, Haagse werkelijkheid is die van invloed is op wat je in Afghanistan kunt bereiken, is wel belangrijk. Het zou politici moeten dwingen om realistisch te zijn over wat er, ver van Den Haag, bereikt kan worden. De Afghaanse werkelijkheid is grillig en maar zeer beperkt maakbaar. In die zin zou de kloof tussen de Haagse en Afghaanse werkelijkheid automatisch moeten leiden tot een gepaste ambitie en een gezonde dosis relativisme en bescheidenheid. Je kunt op afstand veranderingen alleen effectief ondersteunen als de Afghanen zelf voor die veranderingen kiezen. Pogingen tot social engineering zullen mislukken of niet duurzaam zijn als de doelstellingen niet aansluiten bij wat de Afghaanse bevolking wil.

Aan de andere kant geeft de relatie tussen de Haagse en Afghaanse werkelijkheid Nederlandse politici ook een belangrijke verantwoordelijkheid. Zij bepalen uiteindelijk wat de Nederlandse bijdrage kan zijn in Afghanistan. Die bijdrage moet voor zowel Nederlandse als Afghaanse burgers helder zijn. Dat betekent dat politici niet aan framing zouden moeten doen. Het gepolijste beeld van opbouwmissie in Uruzgan heeft misschien wel voor een Kamermeerderheid gezorgd, maar heeft verder eigenlijk alleen maar verwarring, onduidelijkheid en ellende veroorzaakt. Het gaat misschien te ver om te zeggen dat het ook tot slachtoffers geleid heeft, maar als je de missiebijdrages duidelijker inricht op defensieve en offensieve gevechtsacties, ben je waarschijnlijk toch beter voorbereid op de ‘echte’ Afghaanse werkelijkheid in zo’n gebied dan als je blijft volhouden dat het een ‘robuuste’ vredes- of opbouwmissie is. Eerlijkheid en realistische verwachtingen worden in politiek Den Haag echter niet beloond. Ze zullen in ieder geval niet snel leiden tot een breed gesteunde missie in een risicovol gebied.

Wat wel beloond wordt, is het narratief dat vooruitgang in Afghanistan mogelijk is. Dat is vaak weer een projectie van de Haagse werkelijkheid op de Afghaanse: het idee dat we Afghanistan op eenzelfde soort manier kunnen ontwikkelen als Nederland. Af en toe neemt die projectie groteske vormen aan, zoals bij het plan van Koenders (PvdA) om Uruzgan om te toveren tot de Betuwe van Afghanistan.

Met de troepen zal niet de spanning verdwijnen tussen de Haagse en Afghaanse werkelijkheid. Die spanning kan echter ook op een goede manier gekanaliseerd worden in de vorm van bescheidenheid en realisme. Militair een stapje terug doen kan een positieve uitwerking hebben op de ontwikkeling van Afghanistan. Het is belangrijk voor het vredesproces, maar ook voor waar het uiteindelijk allemaal om draait: Afghaans zeggenschap en leiderschap.

In deel 6 meer over mijn schrijfroutine.

Deel 6: Over mijn werkplek en schrijfroutine

Dodenherdenking. Een goed moment om weer een blogpost te schrijven. Ik heb de afgelopen dagen nog aan het Uruzgan-hoofdstuk van mijn boek gewerkt. Het is het langste hoofdstuk, zowel letterlijk (aantal pagina’s) als figuurlijk: veruit de meeste Kamerdebatten en ontwikkelingen. Vier jaar Uruzgan is tegelijkertijd verreweg de meest enerverende maar ook meest tragische periode voor Nederland in Afghanistan. Alle vijfentwintig dodelijke slachtoffers vallen in de periode tussen juli 2006 en november 2010. Maar liefst eenentwintig daarvan komen in Uruzgan te overlijden. Het zijn deze doden waar ik vandaag aan denk.

De eerste twee dodelijke slachtoffers, overste Jan van Twist van de luchtmacht en sergeant Bart van Boxtel van het 11de luchtmobiele bataljon van de landmacht, overlijden weliswaar bij een helikopterongeluk in de provincie Paktia, maar ook hun lot is verbonden met Uruzgan: ze waren op weg naar een vergadering met een Brits beveiligingsbedrijf om te kijken of die de buitenste ring kon beveiligen van wat ‘Kamp Holland’ zou worden in Tarin Kowt. Het laatste Nederlandse slachtoffer, de 56-jarige reserve luitenant-kolonel en arts Fons Dur, overleed op Kamp Holland op 17 november 2010 door hartfalen. Het einde van de missie was toen al ingezet.

Het is vrij ongelooflijk: we zitten twintig jaar met allerlei Nederlandse missiebijdrages op uiteenlopende plekken in Afghanistan (Kaboel, Baghlan, Kandahar, Uruzgan, Kunduz en Mazar-e-Sharif), maar alle dodelijke slachtoffers vallen in de vier jaar dat we in Uruzgan zitten. Ook in de andere provincies waren er veiiligheidsrisico’s en was de geweldsinstructie ‘robuust’, maar Uruzgan was duidelijk een ander verhaal. De ‘25’ verdienen respect, net als de gewonden en de duizenden andere soldaten die wel heelhuids zijn teruggekeerd. Ik schrijf in het boek:

‘Ik heb niet voor niets dit boek aan ze opgedragen. Ze zijn de enigen die echt weten wat het is om in een oorlogssituatie je stinkende best te doen om er iets van te maken. Zij leveren goed werk te midden van enerzijds de onrust en chaos ter plekke (de Afghaanse werkelijkheid) en anderzijds het eeuwige gekissebis, de tegenstrijdige framing van de missie en het constante gesleutel eraan in politiek Den Haag.’

Ik zou het deze keer echter vooral gaan hebben over mijn werkplek en schrijfroutine – ver weg van het oorlogsgeweld in Afghanistan. Ik werk nu ruim twee jaar aan mijn boek. Dat doe ik al die tijd vanuit mijn werkkamer in de Spaanse stad Valencia. Wij wonen éénhoog in een appartement in de wijk Monteolivete. Die naam klinkt misschien Venetiaans in de oren, maar onze wijk is vooral een typisch lelijke Spaanse wijk met te veel (dubbel)geparkeerde auto’s, vieze trottoirs, grote vuilcontainers overal en ertussenin winkels en terrasjes van kleine barretjes die door Chinezen zijn overgenomen.

Voor de Covid-19-pandemie werkte ik al thuis (toen nog voor Oxfam Novib) en dat doe ik nog steeds, nu voor een startup op het gebied van kunstmatige intelligentie en defensie. In die zin is er voor mij niet veel veranderd, al heeft de Covid-periode wel een belangrijke impuls gegeven aan het schrijven van mijn boek. Mijn werkplek is te zien op de volgende foto, die het moment vastlegde waarop ik het contract met de uitgeverij Jalapeño Books ondertekende. Ik heb geen nieuwe foto gemaakt want mijn werkkamer, die tegelijkertijd fungeert als fietsenhok en opbergruimte, is momenteel nog meer een rommelhok dan normaal.

We gaan namelijk eind mei verhuizen. We verlaten de derde grootste stad van Spanje en gaan in een klein bergdorpje wonen in de Noord-Spaanse streek Asturias. Ik zal daar zeker later op terugkomen, omdat ik daar aan de laatste twee hoofdstukken van het boek ga werken. Zes maanden lang zullen we in een dorpje wonen met iets van vijftien inwoners. Misschien wel een unieke ervaring die een eigen blog en boek verdient.

Voorlopig ben ik echter nog lang niet klaar met het boek Je wordt bedankt Bin Laden. Ik ben een heel eind, maar het uitpluizen van ruim duizend Kamerstukken is een hele kluif gebleken. Soms ben je een hele dag bezig met een lang verslag van een enkel algemeen overleg in de Kamer. En ik heb meestal niet hele dagen. Naast mijn ‘gewone’ werk, moet ik elk vrij uurtje aangrijpen om aan mijn boek te werken.

Dat begint ’s ochtends vroeg. Ik sta tussen vijf en zes uur op. Dat is vroeg, maar het betekent dat ik dan minimaal twee uurtjes heb om volop aan mijn boek te schrijven. Soms levert dat twee nieuwe bladzijden op, maar meestal slechts een paar korte nieuwe stukjes. Het verwerken van al die Kamerdebatten in een min of meer gestructureerd verhaal vergt gewoon heel veel tijd. Het is een enorme puzzel met heel veel kleine stukjes, zo een waarvan je denkt dat het misschien beter was geweest om er nooit aan te beginnen.

Om acht uur ’s ochtends is het schrijven voorbij. Dan komt mijn zoontje, bijna drie, aangelopen en houdt het creatieve proces op, vaak midden in een zin. Ik ga dan meteen koken zodat hij warm eten mee kan nemen naar de crèche. Onze zoon gaat alleen de ochtenden naar de opvang, een soort kleine kinderboerderij net buiten Valencia met in totaal maar vier kinderen. De fietstocht erheen is fijn en maakt het hoofd weer even leeg, al denk ik overdag ook veel na over ideetjes en fragmenten die ik absoluut nog wil toevoegen aan het boek.

De rest van de dag werk ik in principe tot ’s avonds laat niet aan het boek. Onze zoon gaat op zijn Spaans laat naar bed, zo rond negen uur. Af en toe werk ik na tienen nog een paar uur aan het boek, maar vaak heb ik daar de energie niet meer voor. Tussen mijn werk door probeer ik ook nog wel eens wat te schrijven, maar dat is eigenlijk niet de bedoeling. Ik zou het liefst de hele dag aan mijn boek werken, maar al dit schrijfwerk levert voorlopig geen geld op. Het schrijven over de ethische kwesties rondom steeds meer geavanceerde en geautomatiseerde drones wel.

Tot slot nog even iets over mijn ‘apparatuur’: ik tik mijn boek in Word op een oude Sony VAIO-laptop. Die is weer aangesloten op een grotere, nog oudere monitor om tegelijkertijd de Kamerstukken en het manuscript open te kunnen hebben. Ik hoop dat deze setup de verhuizing overleeft, want ik maak het boek graag zo af – bescheiden maar effectief. Als ik ooit een beroemde schrijver ben, komt er wel iets beters. Maar nu eerst twee minuten stilte…